Goed allergenenmanagement maakt voedsel veiliger
Charlotte ter Haar

Charlotte ter Haar

Adviseur Levensmiddelenwetgeving en Voedselveiligheid, Vereniging voor de Bakkerij- en Zoetwarenindustrie

923 keer bekeken

 reacties

Vanaf 2006 moeten allergenen op het etiket worden vermeld. In de productie van koek, snoep, chocolade en droge hartige snacks komen veel allergenen voor, denk aan gluten bevattende granen, melkproducten, kippenei, pinda’s en noten, soja, sesamzaad en lupine. Een goed allergenenmanagement is dus onontbeerlijk in deze sector. Charlotte ter Haar maakte het haar persoonlijke missie: voedsel veiliger maken door een goed allergenenmanagement binnen de hele keten.

De Vereniging voor de Bakkerij- en Zoetwarenindustrie (VBZ) is de brancheorganisatie voor fabrikanten van koek, snoep en chocolade. VBZ ondersteunt de bedrijven die binnen deze branche werkzaam zijn. De bedrijven die bij VBZ zijn aangesloten variëren van kleine MKB-bedrijven tot multinationals van voedingsmiddelen. Vanaf het moment dat het in 2006 verplicht werd om allergenen op het etiket te vermelden, heb ik samen met mijn collega’s binnen de voedingsmiddelensector gewerkt aan het bijbrengen van praktijkkennis bij bedrijven.

Met kruisbesmetting moest destijds bij de vermelding op het etiket nog geen rekening worden gehouden. Soms komt er een klein beetje allergeen in een product dat niet in het recept staat, denk bijvoorbeeld aan een stukje deeg dat nog op de deksel van een deegkuip zit vastgeplakt of meelstof in de lucht. Daar maakte ik me zorgen om: hoe kon je als bedrijf dat zo veel mogelijk beperken en als je er mee te maken had, hoe moest je dat dan vermelden op het etiket?

Kruisbesmetting moest op de radar 

In 2013 en 2014 ging ik daarom samen met deskundigen van TNO en Allergenen Consultancy aan de slag om de laatste inzichten op het gebied van kruisbesmetting bij bedrijven binnen de sector te introduceren en uit te werken. In Australië was een rekenmethode ontwikkeld, waardoor kruisbesmetting – die eerst alleen kwalitatief kon worden ingeschat – nu ook met een kwantitatieve risicobeoordeling kon worden vastgesteld. Dit is bij mijn weten wereldwijd de best beschikbare methode. De consumptiegrootte die hiervoor relevant is, is daarvoor uitgewerkt voor koek, snoep, chocolade en hartige droge snacks. Bijvoorbeeld welke hoeveelheid noten een risico vormt voor consumenten met een notenallergie. De rekenmethode was voor de bedrijven in de sector beschikbaar. Dat was stap één! 

De vermelding ‘kan sporen van deze allergenen bevatten’ op het etiket was voor de retail een doorn in het oog

Een volgende hobbel werd in 2014 en 2015 genomen: de retail/supermarkten overtuigen om niet alleen kruisbesmetting voor pinda’s, noten en sesam op het etiket te vermelden, maar ook voor de andere allergenen. Dat bleek lastig: de vermelding  "kan sporen van deze allergenen bevatten" op het etiket was voor de retail namelijk een doorn in het oog. Voor een deel van de voedingsfabrikanten was het een manier om zich juridisch in te dekken tegen schade, maar dit betekende ook een beperking van de keuzevrijheid van consumenten met een voedselallergie.

Het was echt een overwinning toen Simone Hertzberger, hoofdredacteur van de VMT-nieuwsbrief Voedselveiligheid, in oktober 2015 in haar redactionele stukje aangaf dat deze rekenmethode dé oplossing zou kunnen zijn om het ongefundeerd vermelden van kruisbesmetting uit te bannen. De Nederlandse retail accepteerde vanaf toen vermeldingen van kruisbesmetting voor alle allergenen, mits daar een goede onderbouwing voor was.

Besef binnen de sector nam snel toe

Na het paardenvleesschandaal werd duidelijk dat betere informatie-uitwisseling tussen de verschillende schakels in de voedselketen essentieel was voor de borging van voedselveiligheid. In 2016 besefte ik dat ik mijn doel nog niet had bereikt met allergenen, want er was nog geen informatie uitgewisseld met grondstofleveranciers terug in de keten. Het werd tijd dat een goed allergenenmanagement bij producenten van levensmiddelen werd aangevuld met een goed allergenenmanagement bij hun grondstofleveranciers. De handleiding hiervoor werd door de FNLI begin 2017 vrijgegeven en deze kon ik delen! Bij grondstoffensectoren zoals de bakkerijgrondstoffensector heb ik met de rekenmethode het belang van informatie-uitwisseling laten zien door aan te tonen welke hoeveelheid noten een risico vormt voor consumenten met een notenallergie.

Daarnaast heb ik consumptiegroottes voor de rekenmethode opgestuurd naar de overheid bij het ministerie van VWS en de autoriteit (NVWA). De consumptiegroottes heb ik vertaald in het Engels, Duits en Frans en internationaal gedeeld met onze Europese branche.

Ik heb diverse organisatie benaderd om te vragen of we die nationale lijstjes niet konden laten vervallen

Waarom moeilijk doen als het makkelijker kan?

In 2017 kreeg ik het verzoek van één van onze leden om te kijken of het mogelijk was om te lobbyen voor het afschaffen van onze nationale voedselallergenen, dit zijn gewone voedingsmiddelen zoals wortel, mais en koriander waarvan het belangrijk is dat ze op het etiket staan als ingrediënt , maar wat geen allergenen zijn in de wetgeving. Waarom doen we in Nederland zo moeilijk als het ook makkelijker kan? Ik heb diverse organisatie benaderd om te vragen of we die nationale lijstjes niet konden laten vervallen. Deze lijstjes bleken uiteindelijk afkomstig van het Voedingscentrum. Gelukkig was daar intern bij het Voedingscentrum eenzelfde gedachte over; afgelopen maand was ook daar positief bericht over: in Nederland hoeven voortaan alleen de wettelijke allergenen te worden geïnventariseerd.

Beheersing van allergenen is complex

Allergenen vormen een onderdeel van onze voeding en het is belangrijk dat levensmiddelenbedrijven hier bewust mee omgaan en een goed allergenenmanagement voeren. De beheersing van allergenen is complex en niet op te lossen met alleen ‘goed schoonmaken’ in de fabriek. Soms is kruisbesmetting onvermijdelijk. Dat is soms zelfs moeilijk uit te leggen aan inspecteurs. Hierboven staan stappen die ik samen met belanghebbenden om mij heen heb gezet om het voedsel veiliger te maken. En met dit voortschrijdende inzicht merk ik niet alleen als adviseur levensmiddelenwetgeving en voedselveiligheid maar ook als consument dat het leven van de consument met een voedselallergie een stuk is verbeterd in 2017! Volgend jaar zal ik namens VBZ de ontwikkelde consumptiegrootte voor deze rekenmethode openbaar maken en komt deze op het open gedeelte van de website van VBZ te staan.


Over Charlotte ter Haar

Charlotte ter Haar werkt sinds 2006 voor de Vereniging voor de Bakkerij en Zoetwaren industrie (VBZ) als adviseur Levensmiddelenwetgeving en Voedselveiligheid. Dossiers waarop zij werkt zijn onder andere etikettering, contaminanten, additieven en voedsel hygiëne. Daarnaast is ze ook als consument ervaren op het gebied van allergenen met twee kinderen met een voedselallergie.

Wil je meer weten over het werk van Charlotte ter Haar, of heb je vragen naar aanleiding van dit interview? Stel je vraag hieronder.

Het gesprek