Ons westers voedselsysteem: een geschiedenis
Tiny van Boekel

Tiny van Boekel

Levensmiddelentechnoloog, Wageningen University & Research

800 keer bekeken

 reacties

Wat de mens onderscheidt van andere diersoorten qua voedsel is het gebruik van vuur. Tiny van Boekel beschrijft wat deze kwaliteit onze beschaving gebracht heeft.

Van jager tot stedeling

10.000 jaar geleden kwam de zogenaamde agrarische revolutie op in het Midden-Oosten: de mens kwam er achter dat het wel zo efficiënt was om dieren bij huis te houden in plaats van te jagen en om zaden te selecteren, te veredelen en te groeien op akkers dicht bij huis, in plaats van verzamelen. Dat is de tijd waarin de eerste dorpen en steden opkwamen: door de bereikte efficiëntie in de voedselvoorziening hoefde niet iedereen meer voor voedsel te zorgen en kon men zich specialiseren in ambachten en besturen.

Vuur als reden voor het menselijk bestaan

Wat de mens onderscheidt van andere diersoorten qua voedsel is het gebruik van vuur. Door verhitten wordt voedsel beter beschikbaar voor vertering en wordt het ook veiliger; dit is waarschijnlijk één van de redenen waarom het menselijk brein verder geëvolueerd is dan bij andere zoogdieren.

Deze vaardigheid werd verder gestimuleerd door de uitvinding van Nicholas Appert in 1810, die ontdekte dat je levensmiddelen houdbaar kon maken door ze in afgesloten potten te verhitten. Deze vinding werd al snel verder ontwikkeld en leidde tot voedsel in blik; die bestaan nog steeds, nu dus zo’n tweehonderd jaar.

Het lijkt erop dat de moderne mens niet echt goed om kan gaan met die overdaad aan voedsel

Industrialisatie van de levensmiddelenindustrie

In de loop van de negentiende eeuw kwam de industriële revolutie op gang en dit leidde vanaf het midden van de 19e eeuw ook tot industrialisatie van de levensmiddelenproductie waardoor steeds minder mensen zich bezig hoefden te houden met de levensmiddelenproductie. Ook werden steeds meer wetenschappelijke ontdekkingen doorgevoerd, zoals het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen, en men ontdekte de werking van micro-organismen. Wel dient men te beseffen dat de voedingstoestand van de meeste mensen bepaald niet goed was, er was regelmatig honger en er waren gebrekziekten.

Overdaad doet schaad

In de loop van de twintigste eeuw, en zeker na de Tweede Wereldoorlog, industrialiseerde de landbouw en de verwerking steeds meer. Vanaf de zestiger jaren in de vorige eeuw nam de welvaart in de westerse wereld sterk toe en waren mensen in staat ook duurdere producten te kopen. Het succes van deze enorme efficiëntieslag in de landbouw en de verwerkende industrie leidde tot de situatie dat (in de Westerse wereld althans) de voedselzekerheid enorm toenam en, door toenemende voedingskundige inzichten, ook de veiligheid en de kwaliteit van het voedsel. Echter, door het enorme aanbod, en door het feit dat voedsel nu in fabrieken werd geproduceerd uit het zicht van de consument, nam de verwarring bij de consument evenredig toe.

De paradox is nu dat we als mensheid wel in staat zijn om voedsel op een economische en veilige manier met een goede kwaliteit en houdbaarheid te produceren, maar dat de eindgebruiker daarvan, de consument, dat niet meer vertrouwt. Ook lijkt het erop dat de moderne mens niet echt goed om kan gaan met die overdaad aan voedsel zoals blijkt uit opgekomen welvaartsziekten, die overigens ook door een leefstijl met veel minder beweging worden veroorzaakt. En door de intensivering van de landbouw zijn er aanzienlijke problemen ontstaan met het milieu en biodiversiteit.

We hebben dus met de industriële voedselvoorziening een aantal problemen opgelost (voedselzekerheid, -veiligheid en –kwaliteit) maar daarvoor zijn andere problemen in de plaats gekomen. Dat zijn de uitdagingen van de nabije toekomst. Hoe kunnen we het goede van de ontwikkelde technologie behouden terwijl tegelijkertijd de daardoor ontstane problemen te lijf kunnen worden gegaan?

Het gesprek